exclusief fragment

Brief uit Japan

Op 3 juni verscheen Brief uit Japan bij A.W. Bruna Uitgevers, het meest persoonlijke boek van Marie Kondo tot nu toe. In dit inspirerende boek deelt de wereldberoemde opruimexpert de Japanse tradities, waarden en rituelen die haar levensfilosofie hebben gevormd. Van theeceremonies en tuinkunst tot de wijsheid van de seizoenen en het shintoïsme: Kondo laat zien hoe eeuwenoude gebruiken ook ons dagelijks leven kunnen verrijken. Ter gelegenheid van de verschijning plaatsen we een exclusief fragment uit Brief uit Japan. Een mooie kennismaking met de inzichten en verhalen die Marie Kondo deelt in dit bijzondere boek!

‘Heb je een paar lege dozen?’

Als je me vraagt om bij jou te komen opruimen, is de kans groot dat ik deze vraag zal stellen. Sterker nog, het is zelfs een van mijn handelsmerken geworden. Of het nu een lege schoenendoos is of een trommel waar ooit koekjes in hebben gezeten, bij de KonMari-methode voor opruimen worden deze allemaal gebruikt. Je kunt je sokkenla ermee verdelen in verschillende secties of je make-up erin bewaren al die pennen en potloden die je zo makkelijk kwijtraakt. Ik mag zelf graag denken dat het een van mijn superkrachten is dat ik onmiddellijk zie waar nog een doosje tussen past. Als het gaat om ‘opruim-Tetris’, speel ik het hoogste level.

In Japan worden je spullen in de winkel verpakt in doosjes in alle kleuren en maten, met allerlei patronen, vaak in prachtig papier zoals het Japanse washi. Deze dozen zijn niet alleen stevig, maar ook mooi om te zien en ze bevorderen het winkelplezier. Ik kan het nooit over mijn hart verkrijgen om zulke mooie dozen weg te gooien, dus heb ik thuis een flinke verzameling. Ik denk dat veel Japanners dit hebben, want in elk Japans huis dat ik heb opgeruimd kon ik rekenen op een bevestigend antwoord op mijn vraag.

Je kunt je mijn verbazing dus wel voorstellen toen ik in de vs begon met opruimen en ik als reactie op mijn vraag naar een lege doos vaak een verbaasde blik kreeg. Natuurlijk hadden sommige Amerikaanse cliënten wel ergens in huis een lege doos, maar dat waren dan meestal grote, logge kartonnen dozen.

Een andere verhelderende ervaring met dozen kwam tijdens een van mijn eerste vakanties in het buitenland. Ik vierde kerst bij vrienden en genoot van al die mooi ingepakte cadeaus onder de boom. Mijn genot was echter van korte duur, want toen de kinderen de cadeaus mochten openmaken scheurden ze het papier aan flarden. Zelfs als klein meisje pakte ik mijn cadeaus al voorzichtig uit, om het papier niet te scheuren. Ik vind dat je inpakpapier nieuw kunt gebruiken, als mooie kaft voor een boek of agenda, of om gewoon opnieuw een cadeau mee in te pakken.

Hoewel ik moest toegeven dat het ook wel verleidelijk was om een cadeau zo wild open te scheuren, kwam er één woord bij me op waardoor ik er niet aan meedeed: mottainai.

Mottainai (……) is een Japanse term waarmee je diepe spijt uitdrukt als iets wat nog kan worden gebruikt wordt weggedaan of verspild. Er bestaan verscheidene theorieën over de oorsprong van het woord, maar de algemene consensus is dat het voortkomt uit het boeddhisme. Het geeft de boeddhistische overtuiging weer dat alles in de wereld met elkaar is verbonden en niet vanzelfsprekend is. Wanneer mottainai in de omgangstaal wordt gebruikt, kan het bij Japanners gevoelens van diepe schaamte en schuld oproepen.

Ik vermoed dat dit komt door het feit dat velen van ons als kind hebben gehoord dat onze moeders ‘Mottainai!’ riepen, bijvoorbeeld als je je bord niet leegat. Mottainai betekende dan dat je geen respect en waardering voor iets toont, zelfs als het zoiets kleins is als een rijstkorrel.

Sommigen beweren dat het woord ‘mottainai’ al acht eeuwen bestaat, maar het idee dat de term oproept doet verrassend modern aan. Dat is misschien ook de reden dat het woord de aandacht trok van de Keniaanse milieuactivist en Nobelprijswinnaar Wangari Maathai. Toen zij Japan bezocht vroeg Maathai aan haar collega’s of er een Japans equivalent bestond voor ‘Reduce, Reuse, Recycle’. Het antwoord was: ‘Mottainai.’ Maathai was onder de indruk van het woord, omdat het de drie Engelse termen omvat en er zelfs nog een vierde aan toevoegt: Respect. Ze begreep dat het aanzet tot respect en waardering voor de beperkte hulpbronnen van Moeder Natuur. Dankzij Maathai werd de term wereldwijd verspreid, omdat ze mottainai gebruikte als strijdkreet toen ze de VN-Commissie voor de Status van de Vrouw toesprak.

Maar hoe heeft de cultuur rond mottainai zich in Japan ontwikkeld? Uit nader onderzoek blijkt dat er een verband bestaat met de periode waarin Japan geïsoleerd was van de rest van de wereld. Van 1603 tot 1868 viel Japan onder het militaire bewind van de shoguns Tokugawa, die internationale handel en reizen verboden. Dit betekende dat Japan het moest zien te redden met de middelen die nationaal voorhanden waren, waardoor burgers zeer efficiënt werden en niets verspilden. Hierdoor werd Edo, de oude stad die nu bekendstaat als Tokio, bijna twee eeuwen lang een bloeiend cultureel centrum met een duurzame, sterk ecologische samenleving. Dankzij vindingrijkheid, mottainai en de bereidheid om met de natuur mee te werken in plaats van haar tegen te werken, wisten de mensen in Edo (destijds de grootste stad ter wereld) hun middelen uit te breiden en de vaardigheden te ontwikkelen die nodig waren om een bevolking van een miljoen te onderhouden.

Tegenwoordig vertrouwen we op moderne techniek om het leven duurzamer te maken, maar in het pre-industriële Edo legde iedereen zich er persoonlijk op toe dat er niets werd geproduceerd wat niet hergebruikt kon worden. Als iets kapotging of versleten raakte, werd het net zo lang hersteld en hergebruikt tot het helemaal nergens meer goed voor was. Geschiedkundigen beweren dat het grote aantal reparatie- en recyclebedrijven in Edo ervoor heeft gezorgd dat de ‘Edonomie’ ontstond: ‘een efficiënt gesloten systeem waarin alle afval werd gebruikt voor nieuwe productie en bestaande producten werden gerepareerd en hergebruikt.’

Als de gewone burger in Edo een gat of een scheur in een metalen pan of ketel had, kon een ervaren vakman een stukje metaal smelten om het voorwerp weer op te lappen. In het Tokio van nu wordt een kapotte plastic paraplu meteen weggegooid, maar in Edo zou een specialist de oude paraplu’s opkopen, het bamboe frame uit elkaar halen, repareren en opnieuw verkopen. De verkoop van gebruikte kleding werd ook een bloeiende industrie in Edo. Als je de levenscyclus van een stukje kimono naloopt, zul je zien hoe grondig de mensen in Edo recycleden. Katoen was schaars, dus een kledingstuk werd gebruikt tot het helemaal was versleten. Dan werd het gewassen en naar een lompenboer gebracht en geruild voor herstelde kleding of in stukken geknipt om dienst te doen als luier of dweil. Als de stof helemaal nergens meer goed voor was, werd hij verbrand. De as werd dan gebruikt om de akkers waarop nieuwe katoen werd geteeld te bemesten.

Omdat de inwoners van Edo alles op alles zetten om bij te dragen aan de duurzaamheid van hun stad, werden ze steeds bedrevener in recyclen, wat bijna werd verheven tot een kunstvorm. Door de levenscyclus die alle spullen ondergingen ontstond er veel moois.

Dit heb ik zelf ervaren toen ik voor het eerst een les in kintsugi volgde. Ik heb een favoriet bord met konijntjes erop dat ik graag gebruik voor mijn ontbijt. Toen ik per ongeluk de rand van het bord beschadigde, was ik ontroostbaar… totdat ik besefte dat dit een uitstekende gelegenheid bood om kintsugi te leren. Kintsugi is een Japanse kunstvorm waarbij gebroken aardewerk wordt gerepareerd met een lijm die gemengd wordt met waardevolle metalen zoals goud en zilver. De kunstvorm werd al vóór de Edo-periode beoefend.

Ik had het geluk dat ik les kreeg van een moderne pottenbakker. Vanaf het begin werd ik uitgedaagd in mijn manier van denken over kunst en het concept van perfectie. In de les gaf hij me een bord – niet mijn eigen konijnenbord, gelukkig – en zei dat ik het expres kapot moest gooien. Ik was stomverbaasd, maar hij beweerde dat men kan genieten van iets kapotmaken en het dan weer repareren zodat het nog mooier wordt dan eerst. Nadat ik het bord kapot had gegooid, moest ik de scherven goed bestuderen.

‘Zie je deze breuklijnen?’ vroeg hij. ‘Welke scherf vind je het mooist?’ Hij zei dat ik goed naar de oneffen lijnen moest kijken en de details van de breuken in me moest opnemen. Als je eenmaal hebt gekozen welke delen je het mooist vindt, ga je ze nog mooier maken door ze te polijsten. Eerst had ik geen idee wat hij bedoelde, maar toen ik naar de kundige bewegingen van zijn handen keek, drong het tot me door dat hij niet alleen een gebroken stuk aardewerk repareerde maar iets nieuws creëerde. Iets herstellen naar zijn oorspronkelijke vorm is niet het doel van kintsugi. Het belangrijkste is het benaderen van de schoonheid van het proces.

In onze moderne wereld vinden we dingen die niet veranderen vaak perfect. We verwachten bijvoorbeeld van ons huis dat het stevig en sterk blijft staan, ongeacht de omstandigheden. Maar vroeger waren de Japanse huizen er juist op gebouwd om mee te veranderen met de seizoenen. Een schoonheidsleer als wabi-sabi – de Japanse overtuiging dat de schoonheid zit in imperfectie, vergankelijkheid en het natuurlijke verouderingsproces – kon alleen maar voortkomen uit het treurige besef dat niets ter wereld vaststaat of voor eeuwig is. Maar in plaats van daar verdrietig om worden, is het juist prachtig dat mensen vroeger al schoonheid konden vinden in imperfectie; in dingen die kapotgaan, ouder worden, verwelken.

Op dit moment kijk ik naar mijn favoriete konijnenbord, dat ik zelf heb gerepareerd met behulp van kintsugi. Hoewel er maar een heel klein stukje gerepareerd hoefde te worden, is het bord nu een unicum. De zichtbare reparatie is zowel een herinnering aan het verleden van het bord als aan mijn eigen verleden, en als ik ernaar kijk wordt het bord me alleen maar dierbaarder. Zonder het concept mottainai zou dit allemaal niet zijn gebeurd.

Ik probeer ook op andere manieren oude spullen een nieuwe functie te geven of te hergebruiken. Als mijn kleren gaan rafelen, probeer ik ze zo vaak mogelijk te herstellen, en ik gebruik alleen nog parasols die je kunt repareren als ze kapotgaan. Een veelgebruikte theedoek die te vies is geworden, kan nog prima gebruikt worden om oppervlakken buitenshuis af te nemen. Ik probeer hem zo lang mogelijk te gebruiken voordat ik hem weggooi.

Je vindt het misschien vreemd dat iemand die anderen adviseert om spullen los te laten zoveel waarde hecht aan iets wat loslaten juist bemoeilijkt. Vormt mottainai geen belemmering bij het opruimen? Ik heb het mijn cliënten vaak horen gebruiken. Als ze omringd waren door spullen waar ze niet meer blij van werden, zeiden ze – soms zelfs in tranen – dat ze zich er niet toe konden zetten om het weg te doen, want, tja, dat is mottainai.

‘Het was duur.’ ‘Ik heb het nooit gebruikt.’ ‘Misschien kan ik het nog aan.’ Het is verbazingwekkend hoeveel schuld en schaamte iets wat we nooit hebben gebruikt ons kan bezorgen. Als cliënten tegen me zeggen dat ze iets niet weg kunnen doen omdat het mottainai is, zeg ik altijd dat dat gevoel heel natuurlijk en zelfs mooi is. Dat schuldgevoel toont dat je waarde hecht aan de dingen om je heen en dat je er beter voor wilt zorgen. Mottainai is een heel intrigerend woord. Zoals ik al zei, drukt het de spijt uit die je voelt bij verspilling, maar het gaat ook over onbenut potentieel en ongebruikte mogelijkheden.

LEES OOK: Zomertentoonstelling De weg naar water door Sacha de Boer