Column

Fidan Ekiz

Mijn familie roept al jaren dat ik het niet kan maken om met gescheurde, bevlekte joggingbroek of pyjama de deur uit te gaan. ‘Jullie vergissen je, ik word zelden herkend’, antwoord ik altijd. Klopt niet helemaal, maar dat deerde niet. Ik ben geen Matthijs van Nieuwkerk, geen Peter R. De Vries, geen Eva Jinek. Dus wat maakt het uit als ik eruitzie alsof ik in een grot leef.

Deze week werd ik donderdag weer wakker zoals op alle andere dagen van het jaar. Alsof ik aangereden ben door een vrachtwagen. Veel te lang en laat doorgewerkt of gebingewatcht tot diep in de nacht. Ik ren als een kip zonder kop door het huis. Koffie, douche, broodjes smeren, kind uit bed sleuren. Met twee verschillende sokken aan (mijn zoontje ook), haar in de lucht, bontkraagjas over mijn joggingbroek en Uggs sla ik de deur achter ons dicht. ‘De sleutels!’ Fietsend tegen de wind in ga ik los: ‘Het is juli! Waar is de zon? Wat een land!’ Ik mis alleen nog een sigaar in mijn mond. Verder ben ik een en al Ma Flodder. Hijgend en puffend zet ik mijn kind af en begin aan de terugreis. Moe en gekreukt. Bijna thuis, fiets ik over de Hoerenloper. Aan het eind van de brug staat een politiebusje. Wat doet-ie nou daar? Iets verderop staat een lange man met een fototoestel in zijn handen. Het is me niet helemaal duidelijk wat hij fotografeert. Ik kijk een beetje om me heen. Ik zie verder niemand. Hij heeft een telelens blijkt even later. Nog voordat ik er wat over kan denken, raak ik afgeleid door de agenten in het busje. Ze gebaren naar mij, en draaien het raampje open. ‘Gefeliciteerd met je nieuwe baan! Wanneer begin je?’ Ze doelen op de opvolger van DWDD dat ik samen met Renze Klamer ga presenteren. We raken aan de praat. ‘Jij lijkt op Denzel Washington’, floep ik eruit tegen een van de agenten. ‘Dat hoor ik al jaren!’ Intussen zie ik de fotograaf vanuit mijn ooghoeken de brug oplopen. Hij draait zich een paar keer om naar ons. ‘Die gast is van Weekend’, zegt de agent. ‘Hij zei dat jij je zoontje naar school was brengen, en hij wachtte je op.’ Ik sta perplex. Heeft hij zo vroeg in de ochtend echt niks beters te doen? ‘Jammer dat je muts net van je hoofd afvloog toen je de brug af fietste.’ De agent bedoelt het goed: dan was ik minder herkenbaar geweest. ‘Je bedoelt dat ik er zo niet uitzie’, lach ik. Ze lachen mee. Maar stiekem zie ik mezelf al als een soort zwerver die brug overgaan op de foto. ‘Wat had je aan?’ is dan ook de eerste vraag die mijn manager me stelt. Even later komen de vragen: hoezo weet hij dat ik deze route neem en hoe laat? ‘Hij volgt je vast al langer’, zegt mijn manager. 

Die avond krijg ik thuis bloemen bezorgd. Vijftig rozen! Iemand feliciteert mij en vraagt me of hij me mee uit eten mag nemen. In een Meg Ryan- en Tom Hanks-film zou dit zo romantisch zijn. Ik word paranoïde. Er staat een telefoonnummer bij. Hij woont aan de overkant in De Rotterdam pal tegenover mij. Oh mijn god, zou hij me kunnen zien? Ik bel direct met mijn manager ver het beter afschermen van mijn contactgegevens. ‘De rozen zijn wel heel mooi’, zeg ik de volgende dag een beetje schuldbewust tegen mijn zus. ‘Ach geniet ervan. En zie dit allemaal als iets positiefs. Wij zijn na jaaaaaaren kwelling eindelijk van jouw slonzige zwerverlook verlost. Ik denk dat je na het zien van die foto in Weekend meteen bent genezen.’

Liefs, Fidan