Reset in Castillo Buen Amor
Zomerverhaal door Esther Kreukniet
Een wellnessweek tussen wijnranken, wifi-loze stilte en een veel te knappe Belg… Wie zichzelf kwijtraakt, kan maar beter verdwalen op het Spaanse platteland. Na een zenuwinzinking wordt creative director Eva door haar zus afgevoerd naar een retraite in Spanje. Ze verwacht een kuuroord vol kruidenthee, klankschalen en linzensoep. Maar in Castillo Buen Amor vindt Eva haar lang verloren bohémien-zelf terug. Tussen wellness, schrijfopdrachten en een belachelijk knappe Belg ontdekt ze dat haar grootste blokkade in haar hoofd zat – bedolven onder jaren van deadlines, to-dolijstjes en Excelsheets. Een feelgoodverhaal over loslaten, opnieuw beginnen en het toelaten van precies genoeg drama. Castillo Buen Amor is een sprankelend feelgoodverhaal vol humor, wijn, zelfspot en een onverwachte tweede kans.
Het eerste deel van dit verhaal in het magazine gelezen? Lees hier verder!
Beneden wachtte een ruimte met gewelfde plafonds, houten rekken, stoffige flessen – en een verschaalde geur. Ze knipperde met haar ogen en scheen met haar telefoon bij. Een wijnkelder. Niet zomaar één. Het leek wel een wijnflessenkathedraal. Zonder nadenken pakte ze een fles, blies het stof eraf. Het etiket was in het Spaans, met een jaartal ver voor haar geboorte. Ze vond een kurkentrekker op een klein houten tafeltje. Er stonden ook glazen. Grof, dik glas, handgeblazen. Ze schonk in, proefde. Hemels. Zondig. Precies wat haar chakra’s niet nodig hadden, maar waar haar hele lijf om schreeuwde. Ze ging genietend van de wijn op een lege wijnkist zitten. Het was muisstil. Toen viel haar oog op een kleine houten kist achterin, half verscholen onder een dikke laag stof, spinrag en een kapotte reclameposter. Nieuwsgierig – en met een tweede slok moed – deed ze hem open.
Ze zag papieren. Oude brieven. Een stapel vergeelde notitieboekjes met zwartleren kaft. Ze bladerde er snel doorheen. Ze zag tekeningen van ondergrondse gangen. Symbolen. Fragmenten over een geheime orde. Codes. Brieven van een ‘Orde der verlichte dochters’ uit 1872. ‘Wat ís dit?’ fluisterde ze. Plotseling zag ze het, was het er. Een flits. Een plot. Haar oren sloegen even dicht en het leek alsof er een luikje in haar hoofd open ging. Ze zag het ineens helemaal voor zich: geheime genootschappen. Ondergrondse rebellie. Tieners met mysterieuze gaven die door eeuwenoude passages rennen om het patriarchale systeem te ontmantelen. Een young adult-verhaal over een stoere meid die ze eigenlijk al haar hele leven had willen zijn. Onverschrokken, humoristisch en zonder angst of zorgen. Haar hart ging sneller kloppen en ze nam nog een slok. Hunger Games meets Harry Potter meets gothic: ze zag het verhaal opeens voor zich ontvouwen. Eva mompelde zachtjes: ‘Oké. Dus het hoofdpersoon is zeventien. Haar moeder is verdwenen. Ze ontdekt een verborgen orde. Er is een brief met een geheime code. De slechterik is… een knappe, gladde spiritueel leider met een YouTubekanaal. En…’
‘Mag ik dan voorstellen dat zijn naam Indro is?’ Thomas stond in de deuropening geleund, een half glimlachje op zijn gezicht. Eva vloekte. ‘Jezus! Kun jij stoppen met opduiken als een sentimentele horrorclown?’ Hij grijnsde en liep naar binnen. ‘Ik rook wijn én woede. En dan weet ik: daar moet ik zijn.’ Ze hield hem een brief onder zijn neus. ‘Kijk dan. Dit is goud. Dit is letterlijk een verhaal met potentie.’ Thomas pakte het vel aan. Las het, keek en knikte. Ze schonk een glas wijn voor hem in dat hij aarzelend aanpakte. ‘En jij dacht dat je geen inspiratie meer had.’
‘Ik had geen wifi,’ protesteerde ze en sloeg haar armen over elkaar. ‘Dat is totaal iets anders.’ Ze zweeg even. Keek naar hem. Naar de flessen. Naar de ruimte. ‘Ik meen het, Thomas. Dit is misschien iets. Of het is… precies wat ik moet doen. Ik wil geen stomme brief schrijven aan m’n innerlijke kind. Ik wil rennen. In tunnels. Met een zwaard. Een queeste ondernemen.’ Hij knikte ernstig. ‘Dat wil iedereen, Eva.’ Ze lachte en keek hem smekend aan. ‘Zeg me dat ik dit moet gaan schrijven.’ Hij stak zijn glas naar haar uit en lachte. ‘Je moet dit gaan schrijven.’ Ze tikte haar glas tegen het zijne. ‘Op creativiteit en wijn.’
‘En op personages met belachelijk goede cheekbones met een zwaard.’
‘En op het feit,’ zei Eva terwijl ze het stof van een ander notitieboekje veegde, ‘dat inspiratie zich altijd op de donkerste plekken verstopt.’ Thomas keek haar even aan. Serieus. Eva grijnsde. Ze had haar verhaal. Eindelijk. En voor ze er zelf erg in had, was ze opgestaan, had hem bij zijn kraag gegrepen en hem gezoend alsof haar leven opnieuw begon.
Ontwaakt
Iedere ochtend zat Eva op exact dezelfde plek in de tuin – onder een half ingezakte pergola, overwoekerd door klimop die inmiddels een soort jungle op zichzelf was geworden. Waar ooit druiven hingen, huisden nu vooral wespen die er hun eigen wellnesscentrum van hadden gemaakt. Haar vaste schrijfplek was inmiddels een vertrouwd altaartje geworden: een gammele houten tuinstoel, een wiebelend bijzettafeltje met daarop drie notitieboekjes, haar lievelingspen, een lege wijnfles als presse-papier en een vaasje met een half verlept veldbloemetje dat Noëlle had neergezet ‘voor de energie’.
Ze schreef met de hand. En, tot haar eigen verbazing, werkte dat. Beter zelfs dan ooit. Haar telefoon had ze ingeleverd bij Shanti, na een goed gesprek dat verrassend verlichtend had aangevoeld. Geen afleiding meer, alleen nog volledige focus op haar schrijfproces. Nu merkte ze pas hoe vaak haar hand als vanzelf naar haar telefoon was gegleden, hoe diep die verslaving er eigenlijk bij haar in zat. Ze had er wel meteen een onderhandelingstactiek tegenaan gegooid en gevraagd of ze wijn mocht bij de lunch of het avondeten. Shanti had na een korte denkpause gelukkig een ingeving gekregen dat een beetje wijn het creatieve proces best kon ondersteunen. Het bleek een prima ruil: Shanti haar telefoon, zij haar wijnfles – als ontspanning en inspiratie voor het literaire voedingsproces. De anderen waren haar dankbaar en Bastiaan snoepte zo nu en dan een glaasje mee.
Ze schreef inmiddels haar tweede notitieboekje vol en was vergeten hoe het voelde om de woorden direct uit haar hoofd, via haar hand, op papier te laten vloeien – zonder scherm, zonder notificaties, zonder afleiding. Alleen het krassen van de pen, het ritme van haar zinnen, de geur van inkt en de zon die over haar schouder meelas. Het schrijven stroomde. Eindelijk weer. Alsof haar hoofd een oud kanaal had geopend dat al die jaren was dichtgeslibd met deadlines en Excelsheets.
In vijf dagen tijd had Eva iets gemaakt waar haar vijftienjarige euforisch van zou zijn geworden: de complete outline van De Onyxpoort stond. Inclusief wereldkaart, een geheimzinnig magisch systeem, drie hoofdpersonen die al dood waren voordat het verhaal begon, een verboden orde, en een queeste die startte bij een zingende zeemeermin die niets met Ariël te maken had – een Nereïde – en een weerwolf. Layla, Bastiaan en Noëlle wierpen haar side-eyes toe telkens als haar pen het tempo van een machinegeweer bereikte. Harm had op dag drie voorzichtig gevraagd of haar verhaal misschien niet ‘te gewelddadig’ was voor haar vrouwelijke energie. Eva had hem met één opgetrokken wenkbrauw aangekeken en geantwoord: ‘Mijn vrouwelijke energie heeft net iemand onthoofd, Harm.’
De rest van de groep werkte ook hard. Ieder aan zijn of haar eigen verhaal. Layla schreef een non-fictieboek over innerlijke planning voor externe chaos. Bastiaan werkte aan wandelmemoires over zijn zestiende pelgrimstocht met de titel Nooit meer naar huis. Noëlle schreef poëtische klankgedichten over het helen van het hart. Zelfs Harm – de altijd wat grimmige boekhouder – bleek bezig met een verrassend scherpzinnige thriller over zijn moordlustige ex en een tuinarchitect. Ondanks hun verschillen was er een onverwachte verbondenheid ontstaan.
Tijdens het avondeten bespraken ze hun schrijfproces. Bastiaan serveerde elke avond een anekdote met droge kwinkslag, Noëlle las af en toe haar zachte haiku’s voor, Layla organiseerde spontaan een heilige schrijfcirkel met kleurgecodeerde stickers, en Eva merkte dat ze weer lachte. Echte, ontspannen lachbuien. ‘Het is gek,’ had Layla gisteren bij het kampvuur gezegd, ‘hoe verschillend we zijn, en toch… schrijven we allemaal over hetzelfde.’
‘Wat dan?’ vroeg Eva. ‘Over controle loslaten. En over jezelf toestaan iets niet-perfects te maken maar er toch vreugde uit te halen.’
‘En over onthoofdingen,’ voegde Eva droog toe. Zelfs Harm had gelachen.
Af en toe dook Thomas op. Met koffie. En chocola. Of gewoon met die blik: ik wil dit lezen. Hij zei niets. Hoefde ook niets te zeggen. Zijn aanwezigheid was genoeg. Ze voelde hem soms al aankomen voordat hij in beeld verscheen: het lichte knarsen van zijn sandalen op het grind, het tikken van een koffielepeltje tegen het keramiek, de geur van lavendel gemengd met zijn lichaamsgeur. Soms bleef hij alleen even staan, keek hoe ze schreef, glimlachte en liep weer weg. Alsof hij haar niet wilde storen, maar toch dichtbij wilde zijn.
Toen de zon al bijna onder was, verscheen hij weer. Geen koffie dit keer. Geen chocola. Alleen hij. ‘Wandelen?’ vroeg hij zacht. Eva knikte. Ze legde haar pen neer en liep met hem mee door de wijngaarden, terwijl de hemel boven hen langzaam oranje kleurde. Ze spraken weinig. Dat hoefde ook niet. De stilte was zacht geworden tussen hen, niet ongemakkelijk. Toen ze bij het kleine houten badhuisje aan de rand van het domein kwamen, bleef hij staan. ‘Wil je nog een keer mee het dompelbad in?’ vroeg hij met een scheve glimlach. ‘Je bent verslaafd aan die marteling, hè?’ lachte ze. ‘Eigenlijk meer aan wat erna komt,’ grijnsde hij. Ze trokken hun kleding uit en doken samen het koude bad in. Hun gegiechel en gespetter galmden tussen de wijnranken. De kou sloeg haar adem even weg, maar hij trok haar naar zich toe, zijn handen stevig om haar middel. Hun lichamen botsten tegen elkaar in het ijskoude water, hun lachen viel weg in de stilte van het dal. Toen ze elkaar aankeken, was er ineens niets lacherigs meer aan. De afstand tussen hun gezichten verdween als vanzelf. Zijn lippen vonden de hare. Eerst voorzichtig. Toen gretiger. Hij knipoogde en even later kropen ze samen onder een grote badhanddoek, rillend, hun harten klopten synchroon. Zijn handen vonden moeiteloos hun weg over haar lichaam alsof hij haar al jaren kende. Haar ademhaling versnelde, de kou maakte plaats voor hitte.
‘Laten we muziek gaan luisteren in mijn kamer,’ fluisterde hij, terwijl hij haar hand pakte. Eva liep met hem mee de trap op naar een afgelegen kamer in het kasteel die hij had ingericht met wat eigen spullen. Op de houten vloer lagen Perzische tapijten. Er stond een bureau met daarop stapels boeken en kranten, en een kast die precies aansloot op de welving van de muur. In diepe nissen met lambrisering stonden banken waar je bij natuurlijk licht kon lezen. De zware gordijnen hielden de avondkoelte buiten. Alleen het hemelbed leek uit vervlogen tijden en was omringd door gordijnen van geborduurde blauwe zijde met rode franjes. Wat wist ze eigenlijk van deze man? Ze liep naar zijn bureau en bestudeerde een vrolijke foto met een grote familie aan tafel. Daarnaast, in een apart lijstje, prijkte hij trots met twee kinderen voor een caravan. ‘Mijn zoon en dochter,’ zei hij zachtjes. Eva kneep haar ogen samen. ‘Wat een plaatjes,’ zei ze. ‘Hoe heten ze?’
‘Perla en Marley,’ zei hij en stak zijn handen in zijn broekzakken. ‘Ben je getrouwd?’ vroeg ze. Hij keek haar geamuseerd aan en wachtte even. ‘Nooit getrouwd geweest. Maar ook niet meer samen met hun moeder. Diandra is er vandoor gegaan met mijn manager.’ Hij keek spijtig. ‘Ze wonen in Antwerpen en om het weekend en in de vakanties komen ze naar mijn studio die ik nog in Antwerpen heb. Maar het liefst zit ik hier,’ mompelde hij. ‘Ver weggekropen van de bewoonde wereld,’ zei Eva. ‘Hopend op een nummer een-hit die je roem en rijkdom bezorgt.’ Hij schudde zijn hoofd, zijn warrige krullen dansten mee. ‘Shanti is mijn moeder, Eef. Als je zo spiritueel bent opgevoed als ik, geef je niks om materiële rijkdom, maar om wat hier zit.’ Ze opende haar mond maar zei wijselijk niets. Hij pakte haar hand en legde die op zijn borstkas. Zijn gezicht was dichtbij, ze voelde zijn warme adem op haar lippen. ‘En dan woon je in een kasteel met ontelbaar veel hectare wijnvelden?’ zei ze met een opgetrokken wenkbrauw. ‘Erfenisje van mijn opa,’ legde hij uit. ‘Dat was een succesvolle zakenman. Mijn moeder erfde het vakantiehuis, haar broers erfden zijn zaak.’ ‘Mooie deal,’ mompelde ze. ‘En wat deed hij dan?’
‘Je stelt te veel vragen,’ lachte hij, en kuste haar. Hun lichamen gleden naadloos in elkaar, alsof ze een taal spraken die alleen zij kenden. Geen haast. Geen maskers. Na afloop lag ze in zijn armen, haar hoofd op zijn borst, terwijl zijn hand achteloos door haar haar streek. Buiten ruiste de wind door de bomen. ‘Dit,’ fluisterde hij, ‘schrijf je niet op, toch?’
‘Misschien,’ fluisterde Eva terug. ‘Of misschien juist wel. Dat wordt mijn beste hoofdstuk.’ Ze kuste hem opnieuw. Langzaam. Met een glimlach. En ze wist: ze had een bestseller.
Hippie-roes
De avond hing als een diepgeelgekleurde Van Gogh boven het landschap, met artistieke witte vegen in de lucht. Ze lagen buiten naar de lucht te turen, op een geïmproviseerd bed van gekleurde kussens midden in het glooiende Spaanse platteland. Om hen heen golfden de gouden tarwe-aren zacht in de wind en de eerste krekels begonnen hun lied. Boven hen kleurde de hemel langzaam van geel naar oranje naar paars, terwijl de zon achter de horizon zakte. Aan de rand van hun kussenbed stond een geopende fles rosé en twee glazen. Thomas had met een tevreden zucht zijn gitaar gepakt en tokkelde achteloos de eerste akkoorden van Little Wing van Jimi Hendrix.
Eva leunde half achterover tegen hem aan, haar hoofd rustte op zijn schouder. Haar blote benen glommen zacht in het warme avondlicht. Zijn hand lag losjes op haar bovenbeen, zijn vingers tekenden gedachteloos kleine cirkels op haar huid en hij begon te spelen. Zij luisterde. Een dikke bromvlieg zoemde loom langs haar arm. Alles leek even perfect stil te staan. Plotseling verscheen Shanti in haar beeld. Zonder een woord te zeggen liep ze kalm naar hen toe. Haar lange haar golfde in de avondwind, haar gezicht vriendelijk en streng tegelijk. Ze reikte zwijgend een telefoon aan Eva. Eva keek haar verbaasd aan, nam het toestel aan en zei zachtjes: ‘Hallo?’
‘Eva?’
Ja,’ zei ze. Ze herkende onmiddellijk de stem van haar zus. ‘Wacht even, kun je zomaar bellen?’
‘Ik… ja, naar de receptie. Alleen wil Shanti niet dat er misbruik van wordt gemaakt. Voor jullie rust, zegt ze. Maar ik wilde gewoon even weten hoe het met je gaat,’ zei haar zus zacht. Eva viel kort stil. ‘Ben je verbaasd?’
‘Wat dacht jij dan?’ Er viel een stilte. Alleen de krekels zongen hun melodie. ‘Hoe is het daar?’ vroeg Manouck uiteindelijk. Eva keek even over de velden, naar de wijnranken die zich in de avondzon keurig uitgelijnd langs de heuvel uitstrekten. ‘Vreemd. Irritant. Klankschalen, yoga, ijskoude dompelbaden…’ Ze grijnsde en schoot enthousiast omhoog. ‘En ik ben bezig met een young adult-thriller in de geest van The Hunger Games, een mix van Harry Potter en Ariël. En er zitten Nereïden in. En weerwolven.’ Ze hoorde haar zus aanstekelijk lachen, gevolgd door een korte stilte. Eva haalde diep adem en zei: ‘Ik denk dat ik blijf.’
‘Wat bedoel je: blijf?’
‘Nog een week. Misschien drie. Ik wil dit boek schrijven. Dit is het boek dat ik altijd wilde maken. Mijn droom als kind. Het is alsof ik helemaal vergeten was wat ik vroeger écht wilde. En ik vind het niet erg om mezelf nog even door te martelen met ijsbaden en bloedirritante klankschalensymfonieën.’ Aan de andere kant klonk een zachte zucht, of misschien was het een glimlach. ‘Je had als kind zoveel dromen,’ mompelde Manouck. ‘Maar dit klinkt mooi.’ Ze liet opnieuw een korte stilte vallen. ‘Je hebt nog genoeg vakantiedagen,’ zei ze daarna. ‘Maar vertel eens eerlijk… hoe heet hij?’
‘Wat? Wie?’ Eva’s linker ooglid begon direct nerveus te trillen. ‘Kom op. Ik hoor het aan je stem. Je sarcastische filter staat vooral aan als je een beetje verliefd bent.’
‘Dat is niet waar,’ sputterde Eva. ‘Ik zet mijn sarcasme vooral aan als ik iemand een eikel vind of me dood erger…’ Ze zuchtte. ‘En ja. Het is af en toe een irritante eikel. Maar ook een lieverd die chocola brengt, meeleest, gitaar speelt en in ijsbaden springt.’
‘Hoe heet hij?’
‘Thomas. En hij zegt weinig. Dat is het mooie.’
‘Ik gun het je.’ Eva glimlachte. Ze voelde de warmte door haar buik trekken.
Op dat moment maakte Thomas haar topje los en liet plagend een druppel rosé over haar borst glijden. De wijn gleed koel langs haar huid omlaag terwijl hij met zijn vingers het spoor volgde. Ze liet haar hoofd achterover zakken en giechelde. ‘Hangt er bij jou een soort hippie-roes in de lucht, of is het daar gewoon permanent zomer?’ klonk de droge stem van haar zus nog vanuit het telefoontje. Eva schoot in de lach. ‘Allebei, denk ik,’ fluisterde ze en verbrak de verbinding. Ze keek naar Thomas die de telefoon ver weggooide. Shanti was verdwenen. Alsof ze nooit was verschenen.
Ne me quite pas
Een kampvuur. Natuurlijk. Harm had een djembé meegenomen. Layla veganistische marshmallows. Iedereen moest iets delen: een tekst, een inzicht, een gevoel. Eva had in eerste instantie alleen maar marshmallows willen eten. Ze had overwogen te vluchten, maar was door Bastiaan gespot en liefdevol terug het kringetje in getrokken. Layla las een gedicht over haar baarmoeder als ‘zachte klankkast van het heelal’. Bastiaan droeg een sonnet voor over zijn innerlijke kroegtijger. Noëlle las de eerste regels van haar brief aan haar hogere zelf, inclusief de passage: ‘I see you. I hear you. You are enough – zelfs als je Crocs draagt.’ Harm las een haiku over mannelijkheid en bamboe.
Eva staarde in het vuur. Ze voelde zich ontdooien. Ze nipte van haar wijn en wist: nu kwam haar moment. Ze haalde diep adem, liet haar blik even over de kring glijden en begon te spreken. Haar stem was zachter dan ze gewend was, maar steviger dan ooit. Voordat ze een passage voorlas uit haar nieuwe boek, wilde ze nog iets met de groep delen. Ze begon wat onzeker: ‘Dit moeten jullie weten voordat ik het voorlees.’ Ze slikte, haalde opnieuw adem en zei: ‘Soms… moet je alle lagen afpellen om te ontdekken wie je werkelijk bent. En ik denk dat ik dat de afgelopen dagen eindelijk een beetje gedaan heb. De afgelopen zeventien jaar heb ik mezelf bedolven onder lagen. Lagen van hard werken. Exen. Chaos in mijn hoofd. En de diagnose ADD die m’n gedachten laten pingpongen en me ’s nachts wakker houdt. Van altijd maar denken dat ik nog iets moest. Iets moest worden. Iets moest waarmaken. Ik heb mezelf een jas aangemeten die me niet paste. Te zwaar. Te log. Te deprimerend. En hier… met jullie… heb ik die jas langzaam durven uittrekken. Door jullie heb ik ingezien dat ik gewoon weer mag zijn wie ik werkelijk ben. Dat ik terug mag naar het meisje dat ik ooit was. Het meisje dat dacht dat alles nog mogelijk was. En dat is het ook nog steeds.’ Haar stem brak even, maar ze glimlachte erdoorheen. ‘Dank jullie wel. Echt. Deze week was echt een reset voor mij. Een eyeopener. Jullie hebben me gewoon laten zijn wie ik ben, met al mijn nukken en onhebbelijkheden. Dat mocht van jullie, daar was ruimte voor. En dat heeft mijn ogen geopend. Ik mag er zijn, precies zoals ik ben. Dank jullie wel.’ Er viel een korte stilte. De anderen keken haar aan – warm, geraakt.
Toen zei Harm met zijn karakteristieke droge toon: ‘Nou ja… we hebben dat niet helemaal alleen gedaan. Ik denk dat Thomas je ook wel een handje geholpen heeft om die jas uit te trekken.’ De groep lachte. Zelfs Eva kon haar ogen niet anders dan rollend neerslaan. ‘Hij deed het inderdaad graag,’ grijnsde ze. Ze keken allemaal even zwijgend in het vuur. Er hing iets zachts in de lucht. Ze waren een vreemde club geworden, realiseerde Eva zich. Maar wél haar club. Ieder met z’n eigen rugzak, maar samen licht genoeg geworden om stevig te blijven staan. Ze keek dromerig voor zich uit. Toen ging Thomas zitten. Met zijn gitaar. Iedereen keek verbaasd. Eva zuchtte al bij voorbaat. ‘Oh nee,’ fluisterde ze. ‘Een serenade.’ Maar Thomas zei: ‘Dit is geen liedje. Dit is gewoon… een ode aan iemand die me dwingt tot betere grappen.’ En toen zong hij, zacht en met een knipoog:
Je bent zo irritant,
zo mooi en zo vermoeiend,
je ogen vol vuur,
je woorden als messen.
Je bent zo irritant,
je stormt als een orkaan door mijn hoofd,
en als je zwijgt —
mis ik de herrie bijna meteen.
Je bent zo irritant,
met je plannen en je demonen,
met je dromen die altijd
net te groot zijn en voor je komen.
Maar als iemand ooit
de zon uit de hemel steelt,
dan hoop ik dat jij het bent –
en dat je daarna wijn meebrengt.
Eva zuchtte en glimlachte tegelijk vertederd. ‘Wauw. Kijk nou toch. Onze locale Jacques Brel is ontwaakt. Die had ik niet zien aankomen.’ Ze stootte zacht tegen hem aan. ‘Je bent belachelijk,’ zei ze zacht. ‘Jij ook,’ zei hij. Ze hief haar glas. ‘Op sequels.’ Hij tikte het zijne ertegen. ‘En op het feit dat irritant zijn blijkbaar het begin is van iets moois.’
Daarna las Eva een scène voor uit haar manuscript, waarin een demonische generaal door een portaal werd gesleurd in een draaikolk van bloed, schaduw en vergane kindertrauma’s. Iedereen applaudisseerde uitbundig. Bastiaan riep: ‘Heilige Shakti!’ Even later dansten ze om het kampvuur, dronken van chocola, marshmallows en endorfines. Ze waren een bonte verzameling geworden. En ze waren, onverwacht, vrienden.
Thuiskomen
De ochtend hing loom boven de velden. De geur van lavendel en nat gras trok door de koele lucht. De stilte werd enkel onderbroken door het gezoem van bijen en het zachte gekabbel van de fontein bij het terras. Eva zat onder de pergola, haar vertrouwde plek. De pergola wiegde zachtjes in de wind, een oude vriend die haar welkom heette. Voor haar lag het notitieboekje open. De eerste zonnestralen streelden het papier. Ze had haar oordoppen weer in en haar pen gleed soepel over de bladzijde. De woorden kwamen. Vanzelf. Alsof ze de weg eindelijk weer hadden gevonden.
Shanti naderde, zoals alleen Shanti dat kon: geruisloos, als een zuchtje wierook. Ze bleef even staan en legde zwijgend Eva’s telefoon naast haar neer. ‘Voor jou,’ zei ze zacht. Eva trok een oordopje uit en keek met opgetrokken wenkbrauw naar haar. Shanti glimlachte. ‘Ik bezat hem slechts tijdelijk.’ Eva rolde met haar ogen. Ze pakte de telefoon op en drukte op het scherm. Meteen verscheen de naam van haar zus. ‘Hallo?’
‘Ben je nog in leven?’ klonk de vertrouwde stem van Manouck. ‘Volgens sommige mensen hier ben ik gereïncarneerd als mijn hogere zelf,’ antwoordde Eva droog. ‘Zolang je maar koffie blijft drinken.’ Dan, met zachtere stem: ‘Dus… vlieg je vanavond terug?’ Eva keek even op, naar de wuivende wijnranken, de lauwe ochtendlucht, de halflege kopjes kruidenthee op de houten tafels om haar heen. Ze zag Layla, die haar kleurgecodeerde stickers herschikte in de heilige schrijfcirkel. Bastiaan, die notities maakte in zijn wandelboek. Noëlle, die onder een boom zacht haar klankschaal beroerde. En Harm, die in lotushouding een sudoku probeerde op te lossen onder een boom. Niemand keek op z’n telefoon. Ze hadden het gewoon gefikst. Ze voelde zich apetrots. Thomas zat een paar meter verderop, onderuitgezakt met zijn gitaar op schoot. Hij glimlachte naar haar. Gewoon. Omdat ze keek. ‘Nee,’ zei Eva. ‘Ik blijf hier.’
‘Wacht, wat?’
‘Ik weet het. Het klinkt belachelijk. Maar ik… ik wil dit boek schrijven. Ik was vergeten wat ik vroeger echt wilde. Als kind. En nu… ben ik zekerder dan ooit.’ Manouck zweeg even. ‘En Thomas?’ vroeg ze toen met lichte nadruk. ‘Wat over Thomas?’
‘Je hebt zelden zó weinig over iemand gezegd. Dat is verdacht.’
‘Hij heeft een gitaar. Humor. En sarcasme. Meer hoeft het universum blijkbaar niet te bieden.’ Er klonk een korte stilte. ‘Je hebt nog 34 vakantiedagen,’ zei Manouck. ‘En als ik een beetje creatief boek, zijn het er 42.’ Eva lachte. ‘Ik hou van je.’
‘Ik weet het. Maar even praktisch: wat ga je doen en waar ga je van leven, heb je daar al over nagedacht?’ Eva keek om zich heen, naar haar medecursisten, haar schrijfvrienden, haar nieuwe wereld. ‘Geen idee. Dat hoef ik ook niet te weten, het universum zal me wijzen. Ik heb nog wat spaargeld. En ondertussen focus jij je met ons pr-bureau op mijn nieuwe carrière.’
‘Welke nieuwe carrière?’ Manouck gierde het uit. ‘Eva Retreats: voor cynici met een schrijversblok. Inclusief sarcasmeyoga, borderline-breathwork en wijntherapie.’
‘Moet je dan niet ook spirituele kaartensets gaan verkopen?’
‘Heb ik al. Ze heten De orakelkaarten van de ongemakkelijke waarheid. De eerste kaart is: “Misschien ligt het gewoon aan jou.”’
‘Ik bestel er drie.’ Eva glimlachte. ‘Nee, grapje. Op mijn nieuwe boek natuurlijk, De Onyxpoort.’
‘Prima. Maar ik wil wél veto-recht op de kaft van je boek.’
‘Alleen als jij het voorwoord schrijft. Trigger: mijn zus is een spiritueel wrak en ik ben trots op haar.’
‘Klinkt als een bestseller.’
‘Deal, zolang jij de communicatie doet, komt alles goed.’
‘Geniet ervan zusje, neem je tijd.’ Met een brok in haar keel hing ze op. Ze ademde de lucht diep in. Shanti stond nog steeds bij haar, haar hoofd iets schuin. ‘En? Wat zei ze?’
‘Dat ze me mist. En dat we miljonair worden met onethische kaarten.’ Shanti schudde haar hoofd. ‘Goede energie.’
Eva ging weer in haar stoel onder de pergola zitten. Ze deed haar oordoppen in. Hoofdstuk vier wachtte. Ze ademde diep in, opende haar notitieboek en las de laatste passage die ze geschreven had. De woorden leken haar weer gevonden te hebben. Ze kwamen soepel, als vanzelf, alsof haar hoofd en hart eindelijk weer samenwerkten. Ideeën borrelden op, beelden vormden zich moeiteloos, en haar pen volgde bijna achteloos de stroom. Ze voelde hoe het verhaal zich ontrolde, niet als iets wat ze bedacht, maar als iets wat zich door haar liet opschrijven. Ze glimlachte. Ze had geen idee wat de toekomst zou brengen, maar dat maakte niet meer uit. Voor het eerst durfde ze het los te laten. Te vertrouwen op het proces, op de woorden, op zichzelf. Ze draaide haar hoofd losjes op haar schouders, strekte even haar nek, ademde nog eens diep in – en ging tevreden verder met schrijven. Voor het eerst voelde ze zich precies daar waar ze altijd had moeten zijn.
Over de auteur
Esther Kreukniet (Rotterdam) schrijft verhalen waarin humor, romantiek en zelfspot samenkomen. Na vijf succesvolle thrillers – ‘Beau Ravage’, ‘Façade’, ‘Carte Blanche’ (Boekerij), ‘En Passant’ (The House of Books) en ‘Noblesse Oblige’ – richt ze zich nu volledig op feelgoodverhalen die inspireren, bemoedigen en laten glimlachen. Esther is trotse moeder van een zoon en woont samen met Arthur in Rotterdam. In haar vrije tijd leest en schrijft ze, is ze graag te vinden op de skipistes of is ze sportief bezig. Met een MBA in Finance & Marketing (Business School Lausanne), jarenlange ervaring als freelance journalist en haar werk als contentmanager, combineert ze analytisch denken met creativiteit. Ze slaat moeiteloos de brug tussen zakelijke inhoud en menselijke verhalen, van diepgaande interviews tot inspirerende content. Reizen is haar grootste inspiratiebron. De kleurrijke personages en sfeervolle locaties in haar boeken zijn vaak geïnspireerd op plekken die ze onderweg ontdekt. Momenteel werkt ze aan feelgoodverhalen en historische romans en zoekt daarvoor een uitgever.



